Ga naar de inhoud

Raad van Europa

 

De Raad van Europa heeft 46 lidstaten, bevordert de mensenrechten via verschillende verdragen, houdt toezicht op de naleving van die verdragen en doet aanbevelingen via toezichthoudende instanties.

In 1950 werd het belangrijkste mensenrechtendocument op het Europees continent aangenomen, namelijk het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In tegenstelling tot de VN-mensenrechtenverdragen, is hier rechtstreeks toegang tot de rechter verzekerd. Een individu kan namelijk tegen een lidstaat een procedure aanspannen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EVRM garandeert voornamelijk burgerlijk-politieke rechten (zoals het IVBPR op het VN-niveau): het recht op leven, verbod van foltering, vrijheid van meningsuiting etc.

In 1961 werd het Europees Sociaal Handvest (ESH) ondertekend en in 1996 werd deze herzien. Het ESH garandeert dan weer fundamentele sociale en economische rechten als tegenhanger van het EVRM (zoals het IVESCR op het VN-niveau): het recht op onderwijs, arbeid, sociale bescherming etc. Het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) ziet toe op de naleving van het ESH via collectieve klachten die worden ingediend door de sociale partners en andere niet-gouvernementele organisaties, en via nationale verslagen die worden opgesteld door de verdragsluitende partijen.

In 2011 werd het Verdrag inzake het Voorkomen en Bestrijden van Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld (Verdrag van Istanbul) aangenomen. Het Verdrag van Istanbul is het eerste juridisch bindende internationale instrument ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes op internationaal niveau. Het stelt een alomvattend kader vast van juridische en beleidsmaatregelen om dergelijk geweld te voorkomen, slachtoffers te ondersteunen en daders te straffen. Een groep van experten op het gebied van actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, het GREVIO-Comité, ziet toe op de naleving van het Verdrag van Istanbul.